Een bekende verklaring voor conjunctuurcycli is het accelaratieprincipe. Hoewel u misschien nog niet gehoord heeft van dit begrip bent u zeker bekend met het principe. Als de vraag naar consumptiegoederen terugvalt zal de vraag naar productiegoederen relatief sterk afnemen. Dit komt omdat de producenten de aankopen van machines uitstellen. En omgekeerd moeten er als de vraag aantrekt relatief veel productiegoederen worden gekocht om de productie uit te breiden. Het klinkt allemaal heel aannemelijk, maar toch is er heel wat mis met deze redenering.
Laten we als uitgangspunt een autofabrikant nemen. Deze vervangt jaarlijks 10% van zijn productiegoederen zoals machines en gebouwen. Voor de eenvoud zou je kunnen denken dat hij tien machines heeft waarvan hij er elk jaar één vervangt. Gaat nu de vraag omhoog dan moet hij meer produceren om aan de vraag te kunnen voldoen. Stel dat hij tien procent meer gaat verkopen dan moet hij zijn productie ook met tien procent uitbreiden. Hij heeft dus een machine extra nodig. Dit jaar koopt hij dus niet één maar twee machines. Een verdubbeling van de vraag naar productiemiddelen terwijl de vraag naar consumptiegoederen slechts met tien procent was gestegen. Dit zou ervoor zorgen dat elke kleine hobbel in de consumptie zich vertaalt tot grote problemen in de productie. En omgekeerd dat een kleine opleving in de vraag naar consumptiegoederen zorgt voor een grote boom in de productie van kapitaalgoederen. Het lijkt zo aannemelijk deze redenering dat je niet snel geneigd bent om verder te denken om de redenering te verwerpen. En toch is het verwerpen van de redenering verrassend eenvoudig.
Als deze verklaring gebruikt wordt om het gedrag van individuele aanbieders te bestuderen dan is het zeker een aannemelijk verhaal. Maar als het gebruikt wordt als verklaring voor het functioneren van de hele economie dan zit er een groot gat in de redenering. Men gaat er namelijk van uit dat als de consumenten meer uitgeven dat dit leidt tot fors hogere investeringen. Maar waar moet dat geld vandaan komen om die investeringen te doen? Laten we ervan uitgaan dat in Nederland de burgers relatief meer gaan consumeren en minder gaan sparen. De extra consumptie levert meer vraag op naar bijvoorbeeld auto’s of andere producten. De producenten willen nu dus wel meer investeren omdat ze kansen zien om de afzet te vergroten. Maar de banken zitten nu met een probleem, die krijgen minder spaargeld binnen en de vraag naar krediet neemt toe. Als banken geen geld uit het niets kunnen toveren dan zit er niets anders op dan de rente te verhogen totdat de investeringen weer in overeenstemming zijn met de lagere besparingen. En als de spaarders niet reageren op de hogere rente dan is het resultaat dus lagere investeringen en niet hogere investeringen. Het acceleraratieprincipe kan dus alleen bestaan in een systeem met fractioneel reservebankieren. En ook daar is de beperking van de besparingen een rem op het uit te lenen geld.
We gaan weer terug naar het voorbeeld. We zien in deze situatie twee prijssignalen. De prijzen van consumptiegoederen zullen stijgen door de hogere vraag. Dit geeft een signaal aan de producenten dat er meer winst te behalen valt en dat de moeite loont om te investeren. Voor de consumenten betekent deze hogere prijs juist weer een rem op de hogere consumptie en wellicht kiezen ze er toch voor om wat meer te sparen. Aan de andere kant zien we dat de rente omhoog gaat. Dit demotiveert de bedrijven om investeringen te doen. Verder stimuleert het burgers om juist meer te sparen. Deze prijzen zullen fluctueren totdat er weer een evenwicht is gevonden waarbij de investeringen gelijk zijn aan de besparingen. Als de burgers ondanks deze prijssignalen er toch voor kiezen om vast te houden aan lagere besparingen dan leidt dat dus tot lagere investeringen. Hogere consumptie leidt dan dus tot lagere investeringen.
Dit is ook goed te verklaren aan de hand van de tijdsvoorkeur van de mensen. Hebben mensen een hoge tijdsvoorkeur dan willen ze nu consumeren en liever niet sparen. Als bedrijven hierop inspelen dan zullen zij ook nu consumptiegoederen maken en niet investeren in productie later. Een lage tijdsvoorkeur duidt juist op iemand die liever wat geld spaart voor later en minder hecht aan consumptie in het heden. Voor producenten ook een teken om te investeren in productie in de toekomst. Meer sparen heeft als gevolg dat er in de toekomst meer geld beschikbaar is voor consumptie. Verder zorgt het er ook voor dat er geld is om uit te lenen aan bedrijven zodat zij investeringen kunnen doen. Sparen zorgt er dan voor dat zowel de productie als de consumptie in de toekomst hoger zijn. Een heel mooi staaltje marktwerking.
De productiestructuur is een weerspiegeling van de tijdsvoorkeur van de mensen. Als er over het algemeen een lage tijdsvoorkeur is zal er veel gespaard worden en zal de rente relatief laag zijn. Juist projecten die lange tijd in beslag nemen zijn gevoelig voor de rentestand. Het duurt lange tijd voordat de investering wordt omgezet in geld. Het bouwen van huizen of mijnbouw zijn voorbeelden van industrieën die het goed doen bij een lage tijdsvoorkeur. De rente is laag en dus kun je kaptitaalstructuur hebben die relatief lang is. Dit is ook in overeenstemming met de bereidheid van mensen om te wachten op de finale consumptie. Stijgt de tijdsvoorkeur en daarmee de rente dan zie je een verkorting van de productiestructuur optreden. Er is minder geld voor investeringen en de productie is gericht op het zo snel mogelijk leveren van consumptiegoederen.
Een lage tijdsvoorkeur en sparen zijn positief voor de groei van de productie. Een toename van de productiecapaciteit gaat over het algemeen gepaard met het verlengen van de productiestructuur. Er wordt relatief veel geïnvesteerd in kapitaalgoederen en deze investeringen zullen zich uiteindelijk terugbetalen in een hogere productie. Er is dus niets mis met sparen en het is ook niet zo dat sparen slecht is voor de economie op een vrije markt. Integendeel, sparen is één van de pijlers van economische groei. De Keynesianen hebben juist de oorlog verklaard aan de besparingen en zien besparingen als een bedreiging voor de economische groei. Dit is weer zo’n probleem dat ze zelf veroorzaken en een oplossing die het alleen maar verergerd. De economische groei valt tegen en daarom wordt de consumptie gestimuleerd. Daardoor is er minder ruimte voor investeringen en dat remt de economische groei. Deze beperkte economische groei wordt vervolgens weer “gestimuleerd” door de consumptie te bevorderen en zo blijf je bezig.
Dat wil niet zeggen dat dit in de huidige structuur ook altijd zo is. In bovenstaand verhaal ging ik ervan uit dat als er geen geld gespaard wordt dat er dan ook geen geld kan worden uitgeleend voor investeringen. Maar als men geld uit het niets kan maken ontstaat er een andere situatie. Er kan geld worden uitgeleend dat niet eerst gespaard is. De relatie tussen sparen en investeren word verbroken. Het kan dan zo zijn dat er dus meer wordt geconsumeerd en minder gespaard, maar dat er tegelijkertijd ook meer geld wordt uitgeleend. Het vervelende van geld uit het niets maken is dat dit geld ook weer in het niets kan verdwijnen. Het kan dus zo zijn dat mensen wel meer sparen, maar dat dit niet leidt tot extra leningen aan bedrijven. Uiteindelijk komt de werkelijkheid om de hoek en is het sprookje voorbij.
De kredietverlening is de laatste tijd zeker niet verminderd. De kredieten van banken aan particulieren zijn ongeveer gelijk gebleven of licht gestegen sinds het inzetten van de crisis. Tel daarbij op dat de overheid veel meer heeft geleend dan kun je zeker niet spreken van een teruggevallen kredietverlening. Dit is wel verrassend omdat deze krimp in kredietverlening nog wel eens als excuus wordt gebruikt voor de stimuleringen en het ruime monetaire beleid. Dan wordt er gezegd dat de overheid moet compenseren voor de terugval in de kredietverlening aan particulieren. Maar er is momenteel geen terugval in de kredietverlening.
Dat is tevens zorgwekkend omdat dat ook betekent dat we niet naar een financieel stabielere situatie toe gaan. De kredietverlening aan particulieren blijft gelijk en is nog net zo rot als voor de crisis. Daarbij komt dat overheden steeds verder in de schulden zakken. De financiële situatie is dus nog steeds aan het verslechteren. Er is nog geen stabilisering van de situatie. Men heeft het wel over het terugdringen van financieringstekorten, maar deze zijn nog steeds te hoog. Het financieringstekort moet minstens lager zijn dan de economische groei om van een stabiele situatie te kunnen spreken ten aanzien van de groei van de staatsschuld. Minstens omdat dit nog niet rekening houdt met andere factoren zoals de krimp van de beroepsbevolking. Een andere goede maatstaf voor de ontwikkeling van de staatsschuld is de schuld per werkende. Als het aantal werknemers daalt, dan wordt de staatsschuld een groter probleem ook al stijgt deze niet.
Momenteel zitten we in de situatie dat de consumptie wordt gestimuleerd en dat de besparingen worden afgeremd. Als men de investering weer op peil wil krijgen dan is het startpunt naar mijn mening de besparingen. Om geld uit te lenen zou er iemand moeten zijn die dit geld ook gespaard heeft. Hiervan afwijken levert vele problemen op die ook nog eens zeer complex zijn. In een systeem met fractionele reserves zijn economische processen en zeker macro-economische processen veel complexer en minder stabiel. Het is naar mijn mening tijd dat er meer wordt gespaard. En we moeten maar eens stoppen om kinderen op school te leren dat sparen slecht is voor de economie. Nu is men bang dat door meer te gaan sparen het financiële systeem zal destabiliseren. Daarentegen denken ze ook dat door meer schulden en consumptie de situatie zal verbeteren. Zwart is wit en wit is zwart.
Zoals altijd heb ik weer genoten van de heldere manier van vertellen, vanuit een ongebruikelijke (doch juiste) invalshoek.
BeantwoordenVerwijderenProbeer alleen een beetje te letten op het gebruik van een juiste spelling in de voltooide tijd (d/t).
@Anoniem Bedankt, en ik heb het aangepast (met hulp van mijn trouwe meelezer Peter). Ik leer nog steeds bij, maar ik heb duidelijk geen talent voor spellen.
BeantwoordenVerwijderenMaar duidelijk wel voor economie en het schrijven van een goed stuk..
BeantwoordenVerwijderenIk kijk uit naar de volgende!
Ruben (Anoniem)