vrijdag 20 augustus 2010

Bestaat de deregulerende politicus?

Is het mogelijk voor een politicus om meer regels af te schaffen dan toe te voegen. Dit is een hele essentiële vraag ten aanzien van de mogelijkheden van het verkleinen van de overheid door politieke middelen. De overheid bestaat uit individuen en het gedrag van de overheid is ook te herleiden tot de leden waaruit ze is opgebouwd. Als de overheid kleiner wordt dan kan dat alleen maar doordat er individuele politici zijn die meer bijdragen aan het verkleinen van de overheid dan aan het vergroten ervan. Bestaan deze individuen wel of zijn er wellicht voorbeelden te vinden in de geschiedenis? Kunnen politici wel een bijdrage leveren aan deregulering?

 

De politicus die wil dereguleren loopt tegen een aantal hindernissen op. Deze hindernissen moet hij op effectieve manier nemen en hij moet na afloop van het proces populairder zijn dan daarvoor. Dit laatste is nodig omdat de politicus alleen succesvol kan zijn als hij zijn populariteit vergroot. En het zijn de succesvolle politici die de meeste invloed hebben op het bestuur van het land. De meest invloedrijke politici hebben steeds maatregelen genomen die hen populairder maken. Een politicus kan overigens ook populair zijn omdat hij “impopulaire maatregelen” durft te nemen. Dan was het resultaat van de schijnbaar impopulaire maatregel dat de politicus toch populairder werd. De hindernissen die hij moet nemen zijn eerst dat hij de effectiviteit van de regels moet kunnen beoordelen, hij moet vervolgens steun krijgen van de bevolking en hij zal rekening moeten houden met belangengroepen en andere gevestigde belangen.

 

Voordat de politicus gaat dereguleren zal hij vast moeten stellen welke regels hij wil schrappen. Daarvoor zal hij moeten beoordelen hoe effectief een maatregel is. Dat is nog niet eenvoudig omdat er geen prijsmechanisme is dat heldere signalen geeft zoals aan een bedrijf als het domme dingen doet. Dergelijke oordelen worden daarom ondersteund door advies van deskundigen. Als je bijvoorbeeld het rookverbod af wil schaffen dan moet je de effectiviteit hiervan beoordelen. Degenen die hier veel over kunnen zeggen zijn de inspecteurs, maar deze zijn afhankelijk van deze regel en betrouwbaarheid is dus discutabel. Andere diensten binnen het ministerie van volksgezondheid zou je ook kunnen vragen. Maar zij hebben er belang bij dat er regels zijn om de gezondheid van de burger te beschermen. Het ministerie ontleent haar bestaansrecht aan het principe dat de overheid de gezondheid van de burger moet beschermen door middel van regels en beleid. Als dit principe van het beschermen van de burger wordt aangetast door het afschaffen van het rookverbod, welke regels zullen er dan nog volgen? Dus ook daar verwacht ik weinig enthousiasme voor het afschaffen van regels. Weet iemand een effectieve methode om de effectiviteit van regels te beoordelen? Wil je beginnen met het afschaffen van regels dan moet er toch een prioriteitenlijstje komen. Als er geen goede methode is om objectief te beoordelen welke regels het meest en welke het minst effectief zijn waar moet je dan beginnen met dereguleren?

 

Vervolgens moet hij het afschaffen van de regels verkopen aan de bevolking. De politicus heeft immers de steun van het volk nodig om hogerop te kunnen komen. Dat is lastiger dan het lijkt ondanks de brede steun voor minder regels. Burgers klagen over een overdaad aan regels, maar zodra je het concreet maakt wordt het stukken lastiger om de handen op elkaar te krijgen. Er is hier een groot verschil tussen het draagvlak voor het abstracte dereguleren en het afschaffen van concrete regels. Voor het rookverbod geldt dat de meerderheid van de bevolking niet rookt. Minder dan een kwart van de mensen rookt. De niet-rokers zijn wellicht best wel voor deregulering, maar dan liever iets anders dan het rookverbod want dat is toch best wel handig. In discussies merk ik altijd heel veel weerstand als ik het heb over het afschaffen van concrete regels, ook als het gaat om voorstanders van deregulering. Dan probeer ik bijvoorbeeld de vergunningen voor dakkapellen, ontslagbescherming enzovoort. Maar het blijkt allemaal weinig populair zodra je het concreet maakt. Graag zou ik input krijgen van ervaringen van mensen die weten van concrete regels waarvan zij vermoeden dat er weinig weerstand is tegen afschaffen ervan.

 

De volgende hobbel die genomen moet worden is het gevestigd belang. Elke regel heeft een groep mensen die er voordeel bij heeft. In het geval van het rookverbod is er de stichting Stivoro die een groot voorstander is van het rookverbod. Dit is een organisatie die zich inzet voor het stoppen met roken. Zij bestaan sinds 1974 en hebben daarom veel ervaring in de discussie over roken. Zij kennen alle onderzoeken en feiten en kunnen de media en politieke medestanders voorzien van heel veel cijfers indien nodig. Zij hebben grote ervaring met het voeren van discussies over roken. Ze kennen de argumenten en weten zeer goed hoe zij hun standpunt moeten verdedigen. Deze stichting heeft uiteraard contacten opgebouwd met de media en de politiek. Ze staan niet alleen want pasgeleden nog luidde de longartsen de noodklok over het falende toezicht op het rookbeleid. Doordat het gevestigd belang beschikt over veel deskundigheid en ervaring heeft met het debat kunnen zij grote druk uitoefenen. Als straks de discussie gevoerd wordt over ontslagbescherming dan zal de vakbond van zich laten horen. Zij zullen wetenschappelijke onderzoeken overleggen waarin wordt aangetoond dat ontslagbescherming juist goed is voor de economie en zij zullen de politici die tegen afschaffing zijn kunnen voorzien van informatie over hoe het debat het beste kan worden gevoerd. En daarbij schromen ze ook niet om in te spelen op het sentiment als dat nodig is.

 

Deze strijd met het gevestigd belang levert grote risico’s voor de politicus. De lobby tegen hem kan heel effectief zijn en dat kan zijn reputatie beschadigen. Ook als hij er wel in slaagt om de regel af te schaffen of te versoepelen is er het risico dat zijn imago een deuk oploopt. Stelt u eens een regel voor die u af wil schaffen. Welke belangengroepen zullen ertegen zijn en is het mogelijk voor een politicus om hier op effectieve wijze weerstand aan te bieden?

 

Deze vragen zijn essentieel om te kunnen bepalen of het eigenlijk wel mogelijk is voor een politicus om tegelijkertijd carrière te maken en te dereguleren. Laten we stellen dat het voldoende is dat een politicus meer regels afschaft dan toevoegt. Dan is er natuurlijk de vraag of hier praktijkvoorbeelden van zijn. Er zijn wel gevallen van deregulering bekend, maar zijn er ook politici die meer regels hebben afgeschaft dan zij hebben toegevoegd. Kent u voorbeelden van dergelijke politici. Als we eens kijken naar de periode na de Tweede Wereldoorlog zijn er dan voorbeelden te vinden? Dat is 65 jaar met vele Eerste en Tweede kamers met politici. Dat zijn heel veel ministers en staatssecretarissen. Voorbeelden uit het buitenland mogen ook want het gaat hier immers om een algemeen principe en alle bewijsmateriaal is welkom.

 

De eerste die bij mij opkwam was Ruud Lubbers omdat hij bekend stond als premier die veel heeft bezuinigd. Bij nader onderzoek blijkt echter dat Lubbers veel meer regels heeft ingevoerd en de uitgaven heeft verhoogd en niet heeft verlaagd. Lubbers heeft heel wat regelgeving gelanceerd. In de tijd van de oliecrisis is hij begonnen met initiatieven voor alternatieve en duurzame energie. Dit is de aanzet geweest tot een heel scala aan regelgeving. Onder zijn leiding is bijvoorbeeld ook het eerste Milieu- en Natuurbeleidsplan tot stand gekomen. Hij is verder betrokken geweest bij staatsteun aan allerlei bedrijven. Hij staat bekend om de miljardenbezuinigingen die hij heeft gedaan. Maar als we kijken naar de voor inflatie gecorrigeerde overheidsuitgaven dan zijn die onder Lubbers toegenomen. Wat wel voor hem spreekt is dat hij, voor zover ik kan zien, de premier is die de overheid het minst heeft laten groeien. Verder staat hij bekend om het akkoord van Wassenaar. Dat akkoord behelst ingrijpende maatregelen in de loonvorming en arbeidstijd en dus ook hier is er sprake van flink overheidsingrijpen. De eerste kabinetten waren samen met de VVD en dat is de meest rechtse combinatie mogelijk in Nederland en deze slaagde er slechts in de groei van de overheid te beperken. Maar er was zeker geen sprake van afname van uitgaven of regelgeving. Het derde kabinet Lubbers staat bekend om de harde hervormingen in de sociale zekerheid. Maar sla je de cijfers erop na dan zie je dat de groei is afgeremd door deze maatregelen, maar de groei is niet tot staan gebracht laat staan dat er sprake was van krimp. Dus Lubbers valt naar mijn mening af. Heeft iemand nog andere suggesties?

 

Is het voor een politicus mogelijk om gedurende zijn carrière meer regels af te schaffen dan toe te voegen? Een belangrijke vraag want zonder dergelijke politici is er geen politieke weg naar een kleinere overheid. De overheid bestaat uit individuen en dat inzicht kan verhelderend zijn als je het gedrag van de overheid als geheel wil begrijpen. Als de overheid als geheel wil dereguleren dan moeten er individuen zijn binnen de overheid die het aantal regels verminderen. Om de overdaad aan regulering terug te draaien is overigens meer dan een enkele politicus nodig waarvan de netto bijdrage aan de overheid minder regels is in plaats van meer. En ook zal dit gedurende langere tijd door moeten zetten. Dereguleren is een tijdrovend proces. Zeker omdat er naast deregulering ook altijd ook nieuw beleid bij zal komen. Maar laten we eerst eens beginnen met de vraag of het voor een enkele politicus mogelijk is om meer regels af te schaffen en toch carrière te maken. En natuurlijk ben ik heel benieuwd naar praktijkvoorbeelden van dergelijke politici.

 

Ps.

In het eerder genoemde essay dat ik aan het schrijven ben is een centrale vraag of een overheid kleiner kan worden. Daarbij wil ik zonder morele oordelen kijken naar de mogelijkheden die er zijn in het huidige systeem. Bovenstaande vraag is één van de problemen die op je weg komt als je nadenkt over een kleinere overheid. Om mijn inzicht hierin te vergroten hoor ik ook heel graag tegenargumenten en tegenvoorbeelden (argumenten voor zijn uiteraard ook welkom). Dus schroom niet om tegenargumenten in te brengen. Alle goed onderbouwde argumenten zijn welkom.

13 reacties:

  1. Het is vergelijkbaar met de maffia. Stelt u zich voor dat u infiltreert bij de maffia om daar de maffiabaas te worden. Wanneer u dat bent geworden en u ineens stopt met bepaalde agressie, zal uw plaats ingenomen worden door iemand die wel agressie gebruikt.

    Hetzelfde geldt voor een politicus. Die wordt ook continu gedwongen om zijn macht uit te breiden. Doet hij dit niet, doet iemand anders dat wel en zal hij het onderspit delven. Dit betekent ook dat een politicus niet aan de macht kan komen door zijn invloed over anderen te verminderen.

    Niccolo Machiavelli beschreef dit machtsuitbreidingsproces ook al heel mooi.

    Kijk bijvoorbeeld naar het simpelste model van een overheid. Er zijn dan sowieso altijd twee belanghebbenden: De onafhankelijken van de overheid en de afhankelijken van de overheid. De ene groep wilt minder belastingen en de andere natuurlijk meer belastingen. Na een beetje bijlenen en een beetje devaluatie van de munt waardoor beiden groepen tevreden zijn, willen andere belanghebbenden natuurlijk ook wat krijgen van deze suikerpot. Dit proces zal alleen maar door en door gaan (tot de kiespijn aan toe).

    De enige oplossing voor deze opwaartse spiraal is naar mijn mening (niet afgedwongen) educatie over het non-agressie principe. Alleen daardoor is het mogelijk het vertrouwen in democratie en etatisme te verkleinen.
    BeantwoordenVerwijderen
  2. Je hebt absoluut gelijk, het is voor een politicus altijd moeilijk om het aantal regels te verminderen.

    Het is echter lastig om de hoeveelheid regels, of de verandering in de hoeveelheid te meten en dus ook om politici aan te wijzen die daar goed op presteren. Zelf wijk je al uit naar de omvang van de overheid. Zie op dat vlak dit bericht van het CBS: http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/macro-economie/publicaties/artikelen/archief/2009/2009-2800-wm.htm. Hier komen duidelijk een aantal landen naar voren waar de overheidsuitgaven als percentage van het BBP in de afgelopen jaren is afgenomen. (Naar mijn mening is dat overigens een betere en gebruikelijkere maatstaf dan de verandering in absolute omvang van de overheidsuitgaven.)

    Bij 'deregulering' moet ik ook sterk denken aan de liberaliseringsgolf onder Thatcher. Heeft zij niet voor een afname van regels, dan wel van een vermindering van overheidsbemoeienis gezorgd? En over Lubbers, misschien is het informatiever om naar verschillende beleidsterreinen te kijken. Onder Lubbers is bijvoorbeeld de arbeidsmarkt wel sterk gedereguleerd.

    Tot slot ben ik zelf betrokken geweest bij een poging tot vermindering van de regeldruk binnen een specifieke sector in Nederland. Wat daar sterk naar voren kwam was niet zozeer dat er minder regels moesten komen, maar vooral eenvoudigere, consistentere en makkelijker toe te passen regelgeving.
    BeantwoordenVerwijderen
  3. @Econoom Dank voor je reactie. Daarbij wil ik een paar vragen stellen.

    Je stelt dat de overheidsuitgaven als percentage van het BBP een betere maatstaf is voor overheidsuitgaven dan de absolute omvang van de overheidsuitgaven. Ik ben me ervan bewust dat dit inderdaad gebruikelijk is, maar mij komt dit over als een vreemde maatstaf omdat er geen relatie is naar de dienstverlening. Als de dienstverlening van de overheid op hetzelfde peil blijft waarom mogen de uitgaven dan omhoog? Stel dat de overheid dezelfde kwaliteit onderwijs blijft leveren dan zou een inflatiecorrectie genoeg moeten zijn om de kostenstijging te compenseren. De productiviteitsstijging bij de overheid is lager dan die in het bedrijfsleven en daarom zul je wellicht niet verwachten dat tegen een lagere prijs hetzelfde product wordt geleverd. De uitgaven aan het voorgezet onderwijs stegen de afgelopen tien jaar echter met ongeveer zeven procent per jaar terwijl de leerlingaantal ook ongeveer gelijk bleven. Dat is ruim voldoende om de normale stijgingen van kosten op te vangen. zelfs als de lonen harder stijgen dan de productiviteit is dit nauwelijks een verklaring voor deze stijging in kosten. De groepsgrootte is in deze periode waarschijnlijk licht gestegen, maar hier heb ik geen cijfers van kunnen vinden.

    De kosten als deel van het BBP bleven op ongeveer 5,4 procent. Maar is dat wel een terecht argument. Mogen de kosten zonder reden stijgen omdat de productie elders in de economie is gegroeid? Omdat de economie groeit mag de overheid meer geld vragen voor hetzelfde product.

    Ten aanzien van Lubbers en de liberalisering van de arbeidsmarkt. Heb je hier concrete voorbeelden van, want ik ben huiverig voor algemene uitspraken. Wat ik over Lubbers kan vinden ten aanzien van de arbeidsmarkt is de loonmatiging en de arbeidstijdverkorting. Dat zijn echter voorbeelden van ingrijpen en niet van liberaliseren. Heb je concrete tegenvoorbeelden?

    Over het vereenvoudigen van regels heb ik net een artikel geschreven en die heb ik gepland voor maandag. Ben benieuwd wat je ervan vindt.
    BeantwoordenVerwijderen
  4. Hoi Marcel, Jan Terlouw (D66) was een politicus die bij iedere aangenomen wet hardop vroeg: "Okay, en welke wet gaan we nu schrappen?"

    Helaas ontdekte hij vrij snel dat het niet werkte op die manier, om de redenen die jij hierboven omschreef. Uit pure ellende is hij maar kinderboeken gaan schrijven.
    BeantwoordenVerwijderen
  5. @marcel

    Ik hoop dat je goede vakantie gehad hebt.
    En wat betreft je vraag: Tuurlijk bestaan zulke politici wel, ze zijn alleen heel zeldzaam en ze worden door de media en publieke opinie niet gevolgd op hun inspanningen of stemgedrag op dat gebied.

    Ipv kinderboeken gaan schrijven en de hoop opgeven denk ik dat educatie, vorming, voorlichting en eigen media nog steeds de manier is om de kiezer de goede kant op te duwen en daarmee dus ook de politiek.

    grtjes
    vic
    BeantwoordenVerwijderen
  6. @Infinity Machiavelli is inderdaad een aanrader. Deze zomer heb ik "The Prince" gelezen en het is echt verhelderend als je door de historische context heen kan lezen. Leuk vond ik vooral dat Machiavelli veel aandacht besteedt aan het te vriend houden van de bevolking. Ook voor een dictator is dit van belang.

    @Ron geweldige toevoeging :-)

    @Victor Ik geloof zeker dat er eenzame politici vechten voor deregulering. Deze zullen het wellicht redden tot een plek in een gemeenteraad. Maar hoe zit het mensen de mensen met enige invloed zoals wethouders of kamerleden. Ik ben echt nog op zoek naar een concreet voorbeeld. Zelfs een voorbeeld van een gemeenteraadslid in een kleine gemeente is meegenomen. Maar is er iemand die aan dit profiel voldoet?
    BeantwoordenVerwijderen
  7. @Marcel,

    Ik heb zelf van 2002-2010 in gemeenteraad Rotterdam gezeten voor Leefbaar Rotterdam en zeker de 2e periode zoveel als mogelijk tegen investeringen, subsidies en strictere regelgeving gestemt. Maar moet toegeven dat enige compromissen noodzakelijk waren om de lieve vrede te bewaren.

    grtjes
    Vic
    BeantwoordenVerwijderen
  8. Beste Marcel,

    De absolute uitgaven aan bijvoorbeeld onderwijs zegt niet zo veel wanneer je een vergelijking over meerdere jaren maakt. Wanneer we nu absoluut gezien evenveel geld zouden uitgeven aan onderwijs als 50 jaar geleden, dan hadden we een gigantisch achtergesteld onderwijssysteem gehad (uiteraard met inflatie correctie, alles is in reele termen). In dit geval is stilstand echt achteruitgang. Het zit niet alleen in arbeidsproductiviteit, maar denk ook eens aan investeringen in meubilair, gebouwen, 'binnenklimaat', computers, tv-schermen met roosters enzovoorts. De uitgaven aan onderwijs groeien mee met de welvaart van het land. Wanneer je echt wilt investeren in onderwijs moet je dus meer doen dan die standaard groei.

    Over Lubbers: Ik heb het nog even nagezocht, en het is niet Lubbers, maar Kok die de arbeidsmarkt dereguleerde. ;)
    In de ESB (Economisch Statistische Berichten, tijdschrift voor en door economen) van deze week staat een aardig artikel van Jules Theeuwes, hoogleraar arbeidseconomie, over het arbeidsmarktbeleid. Hieronder een vrij lange quote over het relevante stuk:

    "Tijdens de verkiezingscampagne in 1994 neemt Kok als lijstaanvoerder van de PvdA deze slogan over. De verkiezingen resulteerden in Paars I. Werk, werk en nog eens werk was niet de titel van het regeerakkoord van Paars I, maar de slogan komt wel voor in de regeringsverklaring. In die regeringsverklaring betoogt premier Kok, ooit nog mede-ondertekenaar van het akkoord van Wassenaar, dat de oplossing voor het aanbodoverschot en de werkloosheid toch echt ligt bij werk, werk, en nog eens werk. Het kabinet Kok I zet in op een verlaging van de collectieve lastendruk en daarmee op een verlaging van de arbeidskosten voor de werkgever, op meer banen in de collectieve sector en op flexibiliteit en deregulering van de arbeidsmarkt. Melkertbanen en de Wet flexibiliteit en zekerheid die uitzendwerk heeft gestimuleerd zijn paarse producten. In de periode van Paars I en II groeit de werkgelegenheid met gemiddeld 2,4 procent per jaar. Dat is precies twee keer zoveel als de gemiddelde jaarlijkse groei in de periode 1970–2009. De groei tijdens het Paarse bewind zat vooral bij de zakelijke dienstverleningen en daarbinnen heel sterk bij de computerservicebureaus en de uitzendbureaus.

    Wat de bijdrage geweest is van het Paarse beleid aan het werkgelegenheidssucces van de tweede helft van de jaren negentig is moeilijk los te peuteren van de invloed van de in die periode opkomende ICT-technologie en van de versnelde verdienstelijking van de economische structuur. In elk geval is het beleid van verlaging van de arbeidskosten en deregulering precies wat werkgevers nodig hebben voor de creatie van werk."
    BeantwoordenVerwijderen
  9. @Econoom Je stelt dat als we in absolute termen net zoveel uit zouden geven aan onderwijs als nu (voor inflatie gecorrigeerd natuurlijk) dat we dan met een achtergesteld onderwijsstelsel zouden zitten. In die uitspraak zitten twee veronderstellingen.

    Ten eerste lijkt het erop dat je wil zeggen dat de verhoging van de uitgaven te verklaren zij door vooruitgang van de kwaliteit (we gaan met de tijd mee enzovoort). Is dat het geval dan is dat een legitieme reden voor verhoging van het onderwijsbudget. Meer uitgeven voor een beter product kan een goede keuze zijn. Maar hoe zit het dan met de afgelopen tien/twintig jaar. Van de periode daarvoor weet ik niet zoveel. Maar ik heb niet de indruk dat de kwaliteit in die tijd is toegenomen.

    Een andere aanname is dat als je hetzelfde uitgeeft dat je dan ook hetzelfde product krijgt. Dus als wij nu net zoveel uitgeven aan een product als vijftig jaar terug dat we dat ook de kwaliteit krijgen van vijftig jaar terug. Maar dit is zeker niet het geval. Als je een computer kostte twintig jaar terug zomaar 3000 gulden. In tegenwoordig geld zou dat minstens 3000 euro zijn. Of neem een auto die je vijftig jaar geleden kocht. Als je het bedrag nu zou hebben dat een auto vijftig jaar geleden kostte dan zou je daar een hele mooie auto van kunnen kopen en misschien nog wel meer.


    Deze bedrijven hebben ook moderniseringen doorgevoerd. Zij werken ook met geautomatiseerde systemen. Het verschil is denk ik dat dat daar leidde tot een toename van kwaliteit en productiviteit.

    Nu is het vergelijken van markt en overheid misschien niet eerlijk. Maar waarom eigenlijk niet. Waarom meten we met twee maten?


    Bedankt voor je toevoeging over Kok ik zal hem eens onder de loep nemen. En bedankt voor je reactie.
    BeantwoordenVerwijderen
  10. Laten we zeggen dat het onderwijs hard probeert om 'met de tijd mee te gaan', en dus inderdaad om die reden extra geld uitgeeft. Tegelijk zien we dat de 'gratis kwaliteitsverbeteringen' bij computers en auto's ontstaat door gezonde concurrentie tussen producenten (van goederen!) terwijl er nauwelijks sprake is van concurrentie binnen het onderwijs. Het eerste effect is in dit geval dus dominant.

    Ik denk dat jouw definitie van kwaliteit als leraar anders is dan die ik hanteer. Kwaliteit is niet alleen de prestatie van de leerling, maar dus ook de omgeving waarin de leerling zich bevindt. Een muur die strak is geschilderd, is hoger van kwaliteit dan een muur waar de verf van afbladdert.

    Misschien is het interessant om eens naar kappers te kijken ter vergelijking. Voor kappers zijn er nauwelijks mogelijkheden voor het verbeteren van de arbeidsproductiviteit (net als in het onderwijs), en hebben ze geen last van overheidsregulering (in tegenstelling tot het onderwijs). Ik denk dat de prijs van een knipbeurt sterk samenhangt met de welvaartsontwikkeling van het land. Dus bij een toename van de welvaart stijgt de prijs van een knipbeurt ongeveer evenredig mee omhoog. De stijging komt voort uit het eerder besproken Baumol-effect, en door het 'met de tijd meegaan'.
    BeantwoordenVerwijderen
  11. @Econoom Definities voor kwaliteit zijn lastig te maken. Op de vrije markt wordt je afgerekend op heel veel factoren die uiteindelijk de prijs en je winst bepalen. Zonder prijzen is er geen objectief oordeel over de opbrengst mogelijk. Het uiteindelijke oordeel is de waarde die iemand extra toevoegt door de opleiding die hij genoten heeft. Wat dat betreft zou je kunnen zeggen dat het onderwijs in kwaliteit is toegenomen omdat ook de toegevoegde waarde van afgestudeerden is toegenomen. Het is lastig te beoordelen of met minder inspanning of beter inzet van middelen een hogere groei behaald zou zijn.

    Ten aanzien van de lonen van de kapsters. De lonen van de kapsters groeien wel en dat bepaald de toename van de prijs. Maar dat verklaard een prijsstijging van een procent of drie per jaar. De productiviteit verandert niet in de zin van het aantal knipbeurten dat geleverd wordt. Maar de productiviteit neemt ook niet af.

    De ziekte van baumol is volgens mij een verklaring voor zover een stijging van de kosten gelijk opgaat met de stijging van de lonen. Baumol stelt dat de productiviteit in sommige sectoren langzamer stijgt. Maar dat verklaard geen kostenstijgingen die hoger zijn dan de loonstijgingen. Ga je uit van een gelijkblijvende arbeidsproductiviteit van docenten dan zou dat verklaren waarom de kosten net zo hard stijgen als de lonen. Dat betekent dat je van de toename van de kosten voor onderwijs twee tot drie procentpunt hebt verklaard. Dat verklaart nog niet de totale stijging. Maar de kosten voor onderwijs stijgen sneller dan de lonen van de docenten. Naar mijn mening wordt een ander deel van de kosten verklaard door de ongelukkige organisatie en de regelzucht bij het ministerie van onderwijs. Een andere bepalende factor is inderdaad de beperkte groei van de arbeidsproductiviteit, waar je ook terecht op wijst.
    BeantwoordenVerwijderen
  12. @Econoom Bedankt voor je reactie. Was een leuke discussie. Waar ik me nog zorgen over maak is of de overheid dezelfde dienstverlening kan blijven leveren zelfs al blijven ze vasthouden aan een lastendruk van 50%.
    BeantwoordenVerwijderen
  13. Zeker, jij ook bedankt marcel. Het is altijd goed om eens dieper over wat dingen na te moeten denken.

    Was mijn laatste bericht van 26 aug nog doorgekomen?
    BeantwoordenVerwijderen