Mijn idee van deregulering is, dat de overheid bepaalde zaken in het maatschappelijk verkeer niet meer regelt. Er is dan sprake van een afname van de bevoegdheden van de overheid en de burger krijgt meer vrijheid. Dit laatste lijkt echter niet het geval te zijn bij deregulering. De regels worden wel aangepast en verandert, maar de vrijheid van de burgers neemt niet toe.
Minder bevoegdheden voor de overheid is meestal niet de doelstelling van dereguleren en dat is naar mijn mening niet wenselijk. Onder deregulering wordt vaak verstaan het af laten nemen van de regeldruk. Bij een afname van de regeldruk hoeven er bijvoorbeeld minder formulieren te worden ingevuld of worden de wachttijden bij balies verkort. Dat houdt in dat het je minder tijd kost om je aan de regels te houden, maar je moet je nog steeds aan die regels houden.
Als de burger in praktische zin geen last heeft van heeft van de regelgeving dan komt hij minder snel in protest tegen de bevoegdheden van de overheid. Denk hierbij aan de inbreuk op de privacy die in het digitale verkeer plaatsvindt. Deze bevoegdheden kunnen zich makkelijk steeds verder uitbreiden zonder dat de burger hier praktisch wat van merkt. De overheid heeft bijvoorbeeld inzage in al ons mailverkeer. De eenvoud om mee te luisteren met telefoongesprekken is ook enorm toegenomen. De bevoegdheden van de overheid kunnen door technologische vooruitgang enorm toenemen zonder dat dit leidt tot extra regeldruk. De discussie ligt naar mijn mening nu teveel op de praktische discussie en te weinig op de principiële discussie over de bevoegdheden van de overheid. Is er een grens aan de bevoegdheid van de overheid van de overheid om inbreuk te maken op de privacy? Nu lijkt het erop dat elke technologische vooruitgang ook wordt aangegrepen om de bevoegdheden van de overheid te vergroten.
Ook het verminderen van regels door deze meer algemeen te maken kan een vergroting van bevoegdheden inhouden. Stel dat eerst in de wet staat vastgelegd aan welke eisen een werkplek moet voldoen. Als deze specifieke regels worden vervangen door een vage nieuwe regel dan is dat geen vooruitgang. De wetgever kan bijvoorbeeld stellen dat de werkgever de verantwoording draagt om een zo goed mogelijk arbeidsomstandighedenbeleid te voeren. Deze kortere formulering wil niet zeggen dat de bevoegdheden van de overheid verminderd zijn. Door de algemeenheid is het juist zo dat meer situaties worden afgedekt. Er wordt wel gezegd dat de werkgever vrij is om te doen wat hij wil als hij maar aantoont dat hij het goed doet. Dit is geen vrijheid, maar een andere vorm van gehoorzamen aan de regel. Deze gehoorzaamheid kun je verpakken in minder regels, maar dat wil niet zeggen dat er fundamenteel iets is veranderd.
De bevoegdheden van de overheid zijn omvangrijk en nemen toe ondanks dat er gezegd wordt dat er sprake is van deregulering. Het meest in het oog springen daarbij de bevoegdheden ten aanzien van het digitale verkeer en mobiele telefonie. De burger heeft naar mijn mening een bepaalde tolerantie ten aanzien van het ongemak dat hij ondervindt van regels. Een zeker ongemak leidt wel tot gemopper, maar het leidt zeker niet tot opstand. Het anders organiseren van processen verlaagt het ongemak dat burgers ondervinden van regels. Dat vermindert enerzijds de overlast die de overheid veroorzaakt, maar het zorgt er ook voor dat er weer ruimte is voor het invoeren van nieuwe regels. De hoeveelheid regels kan weer groeien totdat het ongemak het niveau nadert dat de burger teveel gaat klagen. Je zou ook kunnen zeggen dat als de kosten voor regels afnemen, dat dan de drempel om regels in te voeren lager wordt. Deze redenering volgend dan zou het te verwachten zijn dat als de regeldruk afneemt dat de overheid dan weer meer gaat regelen. En ook als technologische vooruitgang het ongemak van regels verminderd wordt dan is het mogelijk dat de overheid deze ruimte gebruikt om haar bevoegdheden verder uit te breiden. Deze beweging kan alleen gestopt worden als burgers duidelijk laten merken dat ze al dat geregel niet meer tolereren. Dus geen discussie over alleen de praktische bezwaren, maar ook een morele discussie.
Laten we eens een gedachtenexperiment doen. We stellen een dictator voor die alleen maar macht wil, maar hij moet wel rekening houden met het ongemak dat deze regels veroorzaken bij de burgers. De dictator kan deze ontevredenheid onderdrukken door propaganda of geweld, maar dit is kostbaar. Dit ongemak vermindert daardoor de macht van de dictator. De dictator heeft behoefte aan macht en de prijs daarvoor is dat er ontevredenheid ontstaat. Wordt het ongemak minder door de bevoegdheden efficiënter uit te oefenen dan wordt de prijs voor macht lager en kan de macht weer verder worden uitgebouwd. De dictator zal natuurlijk mensen belonen in de organisatie die middelen vinden om de efficiëntie te vergroten. De organisatie krijgt zo een sterke prikkel om het ongemak dat ondervonden wordt door de macht te verkleinen. Het resultaat is meer controle over de bevolking. De primaire prikkel van deze organisatie is de meest efficiënte manier vinden om macht uit te oefenen. Het leveren van diensten aan de burger is van ondergeschikt belang. Deze diensten zijn onderdeel van de propaganda om te laten zien hoe goed de leider zorgt voor het volk. Hugo Chavez bijvoorbeeld maakt hier mooi gebruik van. Hij zorgt voor onderwijs, zorg en veiligheid en daarmee wint hij de gunst van het volk, maar het uiteindelijke doel is dat hij zijn macht uit kan bouwen. Dat merk je bijvoorbeeld omdat het vergroten van de dienstverlening aan de bevolking een ondergeschikt doel is en daardoor nauwelijks groeit. Daarentegen zal het sturen van de bevolking wel steeds efficiënter worden.
In het geval van een dictator is duidelijk wat de bedoeling is en welke richting het op gaat. In een democratie heeft de bevolking meer mogelijkheden om te sturen. In het geval dat de bevolking lui en apathisch is en ideële motieven geen rol meer spelen dan kan een dergelijk proces zich ook in een democratie afspelen. Het gedrag van de politici is mede bepaald door de opdracht die ze meekrijgen van de bevolking. Als de bevolking alleen maar aangeeft dat ze geen ongemak willen hebben en verder alles goed vinden dan staat de deur open om de bevoegdheden steeds verder uit te breiden. Een democratie kan slechts werken als de politici de juiste opdracht meekrijgen van de bevolking.
Hoe zit het eigenlijk met de praktijk in Nederland. Is er een beleidsterrein waar de regels echt verminderd zijn? Kijk je om je heen dan zie je al heel veel dingen die geregeld worden. Denk aan de bouwvoorschriften voor je huis. Deze zijn mede onder invloed van eisen ten aanzien van duurzaamheid toegenomen. De eisen waaraan auto’s moeten voldoen nemen ook nog steeds toe. Ten aanzien van de communicatie tussen burgers zijn de bevoegdheden flink toegenomen. Daarbij kun je je afvragen of dit toenemende ingrijpen echt nodig is. Ten aanzien van de veiligheid van auto’s zal iedereen vinden dat de verbeterde veiligheid van auto’s een goede zaak is. Maar juist daarom is het ingrijpen van de overheid niet nodig. De zorg die er is onder de bevolking geeft namelijk aan dat er vraag is naar veilige auto’s en dat zorgt ervoor dat fabrikanten de veiligheid zullen vergroten. Het kan altijd veiliger in een land, maar dragen de toegenomen bevoegdheden hieraan bij? Helpt het als de overheid mee kan lezen met het mailverkeer? De discussie over privacy lijkt weinig mensen te interesseren. Heel wat mensen verbazen zich wel over de snelle toename van de mogelijkheden om burgers te volgen, maar ze lijken het ook niet echt erg te vinden.
Is er een grens aan wat mensen toelaatbaar vinden of wennen we langzaamaan aan het steeds toenemend ingrijpen? Doordat het zo langzaam gaat merken we het niet en komt er ook geen protest. Het is lastig en vaak ondoorzichtig hoe deze processen zich voltrekken. De discussie over wat het domein van de overheid is ontbreekt en daardoor is er geen rem op de groei. Daarbij speelt mee dat er een sterk geluid is ten aanzien van de doorgeslagen liberalisering. Als er doorgeslagen liberalisering is dan zou er toch een terrein moeten zijn waar er gedereguleerd is. Of er zouden invloedrijke politici moeten zijn die netto meer bijdragen aan de deregulering dan aan regulering. Gaat men concreet kijken dan is die doorgeslagen liberalisering niet te vinden. Maar de discussie over doorgeslagen liberalisering heeft zeker wel effect op de besluitvorming. Dit heeft te maken met het zogenaamde “Overton window”. Dit is de speelruimte die een politicus heeft op basis van de normen die de bevolking hanteert om beleid te beoordelen. Een politicus kan bijvoorbeeld niet teveel regelen, maar hij kan ook niet teveel liberaliseren. Aan beide kanten zijn er grenzen, maar door de discussie over liberalisering veranderen deze grenzen. Aan de kant van regulering wordt de tolerantie van mensen groter terwijl aan de kant van de liberalisering de tolerantie juist kleiner wordt.
Als je de overheid wilt verkleinen door politieke middelen dan zullen de burgers de politiek moeten sturen en niet andersom. Nu gaan er allerlei verhalen rond over doorgeslagen vrije markten in de financiële wereld en de angst voor terreur vraagt dat we onze privacy opgeven voor veiligheid en dan is er natuurlijk nog het milieu dat beschermd moet worden en intensief ingrijpen van de overheid vraagt. Laksheid van de bevolking op deze terreinen zorgt ervoor dat de wetgever veel meer regels maakt dan nodig is. Maar hoe zorg je ervoor dat de bevolking de juiste informatie krijgt voorgeschoteld en daarover dan ook nog eens de juiste beslissing neemt?