vrijdag 3 september 2010

Hoe stevig is het Duitse herstel?

In Duitsland is leeft de industrie weer even op. Maar er zijn zorgen omdat deze opleving vooral gevoed wordt door vraag uit China. Het is maar de vraag hoe lang deze vraag aanhoudt. Nederland en de rest van Europa kunnen vervelend verast worden als het Duitse herstel hapert.

 

In China is even niets te gek. Er zijn veel nieuwe rijken en die willen graag een exclusieve Europese auto. De vraag naar auto’s in China groeide afgelopen jaar met ruim 15 procent. Die groei zet waarschijnlijk nog wel even door. Maar dat hoeft niet te betekenen dat de productie in Duitsland ook toe zal blijven nemen.

 

Ten eerste hebben alle Duitse automakers ook fabrieken in China. Deze capaciteit wordt uitgebreid nu de lokale vraag toeneemt. Het is uiteraard beter om te profiteren van de goedkope Chinese arbeid en ook nog eens te besparen op de vervoerskosten. Het uitbreiden van productiecapaciteit zal even duren, maar geleidelijk aan zal meer en meer geproduceerd worden in China zelf. Een toegenomen vraag uit China wordt eerst opgevangen door hogere productiecapaciteit in China zelf en als er dan nog tekorten zijn aan auto’s dan worden er auto’s uit Europa ingevoerd. Dat maakt de vraag naar auto’s in Europa extra wisselvallig.

 

Als de groei van de vraag afneemt dan moeten de Duitse autobouwers kiezen waar zij de auto’s willen bouwen. Maken zij gebruik van de productiecapaciteit in Europa of maken ze gebruik van de fabrieken in China? Zij zullen uiteraard kiezen voor het goedkoopste alternatief. Dan zal waarschijnlijk de keuze vallen op China. De Duitse autobouwers vullen nu de productie aan met productie uit Europese fabrieken. Maar als dat niet meer nodig is valt deze productie weg. Dat kan flinke gevolgen hebben voor de groei van de industrie in Duistland.

 

Er is nog steeds een situatie waarbij er overcapaciteit is in Europa. De productiestructuur in Europa is scheef gegroeid. Er is een flinke overproductie van auto’s. Verder zijn de lonen hoog en is de arbeidsmarkt star. Door een tijdelijk hogere vraag uit China worden deze effecten enigszins gemaskeerd. Maar wie geloofd nog dat Europa een producent van belang kan zijn in de toekomst?

 

Duitsland en de rest van Europa hebben wel wat te bieden. Er zijn veel hooggekwalificeerde arbeidskrachten. Verder is er veel kapitaal geïnvesteerd in hoogwaardige productie. Dit is een goede basis voor een stevige concurrentiepositie. Maar dan moet wel de nadruk komen te liggen op de sterke kanten. Met een lage belastingdruk en soepele arbeidswetgeving zijn er volop mogelijkheden voor Europa om te concurreren. Maar voorlopig zie ik nog te weinig lastenverlichtingen. Verder is de rentelast van overheden een grote zorg. Dit vertaald zich in belastingen waar je helemaal niets voor terug krijgt. Het is een enorme vergroting van de inefficiëntie van de overheid. Een voordeel van enkele procenten kan voor bedrijven al een groot verschil maken in concurrentiepositie. Een lastenverlichting is daarom heel erg welkom. Maar dat betekent dat de overheid daadwerkelijk moet snijden in zichzelf en niet kan terugvallen op lastenverzwaringen om het huishoudboekje op orde te krijgen.

woensdag 1 september 2010

De overheid wordt steeds kleiner

Na mijn laatste artikelen zou je kunnen denken dat ik pessimistisch en negatief ben over de toekomst. Maar dat is zeker niet het geval. En om dat te benadrukken daarom een artikel met een positief geluid. Omdat ik ook zie dat mensen steeds meer eigen initiatief nemen en zelf het heft in handen nemen ben ik juist optimistisch en positief. Ik begrijp dat mijn gemopper over een falende overheid kan worden opgevat als een doemscenario. Maar een falende overheid hoeft naar mijn mening niet te leiden tot een crisis. De positieve bewegingen zijn naar mijn mening momenteel sterker dan de negatieve.

maandag 30 augustus 2010

Dereguleren of anders reguleren

Mijn idee van deregulering is, dat de overheid bepaalde zaken in het maatschappelijk verkeer niet meer regelt. Er is dan sprake van een afname van de bevoegdheden van de overheid en de burger krijgt meer vrijheid. Dit laatste lijkt echter niet het geval te zijn bij deregulering. De regels worden wel aangepast en verandert, maar de vrijheid van de burgers neemt niet toe.

Minder bevoegdheden voor de overheid is meestal niet de doelstelling van dereguleren en dat is naar mijn mening niet wenselijk. Onder deregulering wordt vaak verstaan het af laten nemen van de regeldruk. Bij een afname van de regeldruk hoeven er bijvoorbeeld minder formulieren te worden ingevuld of worden de wachttijden bij balies verkort. Dat houdt in dat het je minder tijd kost om je aan de regels te houden, maar je moet je nog steeds aan die regels houden.

Als de burger in praktische zin geen last heeft van heeft van de regelgeving dan komt hij minder snel in protest tegen de bevoegdheden van de overheid. Denk hierbij aan de inbreuk op de privacy die in het digitale verkeer plaatsvindt. Deze bevoegdheden kunnen zich makkelijk steeds verder uitbreiden zonder dat de burger hier praktisch wat van merkt. De overheid heeft bijvoorbeeld inzage in al ons mailverkeer. De eenvoud om mee te luisteren met telefoongesprekken is ook enorm toegenomen. De bevoegdheden van de overheid kunnen door technologische vooruitgang enorm toenemen zonder dat dit leidt tot extra regeldruk. De discussie ligt naar mijn mening nu teveel op de praktische discussie en te weinig op de principiële discussie over de bevoegdheden van de overheid. Is er een grens aan de bevoegdheid van de overheid van de overheid om inbreuk te maken op de privacy? Nu lijkt het erop dat elke technologische vooruitgang ook wordt aangegrepen om de bevoegdheden van de overheid te vergroten.

Ook het verminderen van regels door deze meer algemeen te maken kan een vergroting van bevoegdheden inhouden. Stel dat eerst in de wet staat vastgelegd aan welke eisen een werkplek moet voldoen. Als deze specifieke regels worden vervangen door een vage nieuwe regel dan is dat geen vooruitgang. De wetgever kan bijvoorbeeld stellen dat de werkgever de verantwoording draagt om een zo goed mogelijk arbeidsomstandighedenbeleid te voeren. Deze kortere formulering wil niet zeggen dat de bevoegdheden van de overheid verminderd zijn. Door de algemeenheid is het juist zo dat meer situaties worden afgedekt. Er wordt wel gezegd dat de werkgever vrij is om te doen wat hij wil als hij maar aantoont dat hij het goed doet. Dit is geen vrijheid, maar een andere vorm van gehoorzamen aan de regel. Deze gehoorzaamheid kun je verpakken in minder regels, maar dat wil niet zeggen dat er fundamenteel iets is veranderd.

De bevoegdheden van de overheid zijn omvangrijk en nemen toe ondanks dat er gezegd wordt dat er sprake is van deregulering. Het meest in het oog springen daarbij de bevoegdheden ten aanzien van het digitale verkeer en mobiele telefonie. De burger heeft naar mijn mening een bepaalde tolerantie ten aanzien van het ongemak dat hij ondervindt van regels. Een zeker ongemak leidt wel tot gemopper, maar het leidt zeker niet tot opstand. Het anders organiseren van processen verlaagt het ongemak dat burgers ondervinden van regels. Dat vermindert enerzijds de overlast die de overheid veroorzaakt, maar het zorgt er ook voor dat er weer ruimte is voor het invoeren van nieuwe regels. De hoeveelheid regels kan weer groeien totdat het ongemak het niveau nadert dat de burger teveel gaat klagen. Je zou ook kunnen zeggen dat als de kosten voor regels afnemen, dat dan de drempel om regels in te voeren lager wordt. Deze redenering volgend dan zou het te verwachten zijn dat als de regeldruk afneemt dat de overheid dan weer meer gaat regelen. En ook als technologische vooruitgang het ongemak van regels verminderd wordt dan is het mogelijk dat de overheid deze ruimte gebruikt om haar bevoegdheden verder uit te breiden. Deze beweging kan alleen gestopt worden als burgers duidelijk laten merken dat ze al dat geregel niet meer tolereren. Dus geen discussie over alleen de praktische bezwaren, maar ook een morele discussie.

Laten we eens een gedachtenexperiment doen. We stellen een dictator voor die alleen maar macht wil, maar hij moet wel rekening houden met het ongemak dat deze regels veroorzaken bij de burgers. De dictator kan deze ontevredenheid onderdrukken door propaganda of geweld, maar dit is kostbaar. Dit ongemak vermindert daardoor de macht van de dictator.  De dictator heeft behoefte aan macht en de prijs daarvoor is dat er ontevredenheid ontstaat. Wordt het ongemak minder door de bevoegdheden efficiënter uit te oefenen dan wordt de prijs voor macht lager en kan de macht weer verder worden uitgebouwd. De dictator zal natuurlijk mensen belonen in de organisatie die middelen vinden om de efficiëntie te vergroten. De organisatie krijgt zo een sterke prikkel om het ongemak dat ondervonden wordt door de macht te verkleinen. Het resultaat is meer controle over de bevolking. De primaire prikkel van deze organisatie is de meest efficiënte manier vinden om macht uit te oefenen. Het leveren van diensten aan de burger is van ondergeschikt belang. Deze diensten zijn onderdeel van de propaganda om te laten zien hoe goed de leider zorgt voor het volk. Hugo Chavez bijvoorbeeld maakt hier mooi gebruik van. Hij zorgt voor onderwijs, zorg en veiligheid en daarmee wint hij de gunst van het volk, maar het uiteindelijke doel is dat hij zijn macht uit kan bouwen. Dat merk je bijvoorbeeld omdat het vergroten van de dienstverlening aan de bevolking een ondergeschikt doel is en daardoor nauwelijks groeit. Daarentegen zal het sturen van de bevolking wel steeds efficiënter worden.

In het geval van een dictator is duidelijk wat de bedoeling is en welke richting het op gaat. In een democratie heeft de bevolking meer mogelijkheden om te sturen. In het geval dat de bevolking lui en apathisch is en ideële motieven geen rol meer spelen dan kan een dergelijk proces zich ook in een democratie afspelen. Het gedrag van de politici is mede bepaald door de opdracht die ze meekrijgen van de bevolking. Als de bevolking alleen maar aangeeft dat ze geen ongemak willen hebben en verder alles goed vinden dan staat de deur open om de bevoegdheden steeds verder uit te breiden. Een democratie kan slechts werken als de politici de juiste opdracht meekrijgen van de bevolking.  

Hoe zit het eigenlijk met de praktijk in Nederland. Is er een beleidsterrein waar de regels echt verminderd zijn? Kijk je om je heen dan zie je al heel veel dingen die geregeld worden. Denk aan de bouwvoorschriften voor je huis. Deze zijn mede onder invloed van eisen ten aanzien van duurzaamheid toegenomen. De eisen waaraan auto’s moeten voldoen nemen ook nog steeds toe. Ten aanzien van de communicatie tussen burgers zijn de bevoegdheden flink toegenomen. Daarbij kun je je afvragen of dit toenemende ingrijpen echt nodig is. Ten aanzien van de veiligheid van auto’s zal iedereen vinden dat de verbeterde veiligheid van auto’s een goede zaak is. Maar juist daarom is het ingrijpen van de overheid niet nodig. De zorg die er is onder de bevolking geeft namelijk aan dat er vraag is naar veilige auto’s en dat zorgt ervoor dat fabrikanten de veiligheid zullen vergroten. Het kan altijd veiliger in een land, maar dragen de toegenomen bevoegdheden hieraan bij? Helpt het als de overheid mee kan lezen met het mailverkeer? De discussie over privacy lijkt weinig mensen te interesseren. Heel wat mensen verbazen zich wel over de snelle toename van de mogelijkheden om burgers te volgen, maar ze lijken het ook niet echt erg te vinden. 

Is er een grens aan wat mensen toelaatbaar vinden of wennen we langzaamaan aan het steeds toenemend ingrijpen? Doordat het zo langzaam gaat merken we het niet en komt er ook geen protest. Het is lastig en vaak ondoorzichtig hoe deze processen zich voltrekken. De discussie over wat het domein van de overheid is ontbreekt en daardoor is er geen rem op de groei. Daarbij speelt mee dat er een sterk geluid is ten aanzien van de doorgeslagen liberalisering. Als er doorgeslagen liberalisering is dan zou er toch een terrein moeten zijn waar er gedereguleerd is. Of er zouden invloedrijke politici moeten zijn die netto meer bijdragen aan de deregulering dan aan regulering. Gaat men concreet kijken dan is die doorgeslagen liberalisering niet te vinden. Maar de discussie over doorgeslagen liberalisering heeft zeker wel effect op de besluitvorming. Dit heeft te maken met het zogenaamde “Overton window”. Dit is de speelruimte die een politicus heeft op basis van de normen die de bevolking hanteert om beleid te beoordelen. Een politicus kan bijvoorbeeld niet teveel regelen, maar hij kan ook niet teveel liberaliseren. Aan beide kanten zijn er grenzen, maar door de discussie over liberalisering veranderen deze grenzen. Aan de kant van regulering wordt de tolerantie van mensen groter terwijl aan de kant van de liberalisering de tolerantie juist kleiner wordt.  

Als je de overheid wilt verkleinen door politieke middelen dan zullen de burgers de politiek moeten sturen en niet andersom. Nu gaan er allerlei verhalen rond over doorgeslagen vrije markten in de financiële wereld en de angst voor terreur vraagt dat we onze privacy opgeven voor veiligheid en dan is er natuurlijk nog het milieu dat beschermd moet worden en intensief ingrijpen van de overheid vraagt. Laksheid van de bevolking op deze terreinen zorgt ervoor dat de wetgever veel meer regels maakt dan nodig is. Maar hoe zorg je ervoor dat de bevolking de juiste informatie krijgt voorgeschoteld en daarover dan ook nog eens de juiste beslissing neemt?

vrijdag 27 augustus 2010

Kun je mensen beschermen tegen hun eigen zwaktes

De overheid legitimeert zichzelf omdat ze de burgers beschermt tegen elkaar, maar ook tegen zichzelf. Deze laatste paternalistische neiging is wel te begrijpen, maar is het wel haalbaar. Is het mogelijk om mensen tegen zichzelf te beschermen?

Ten eerste moeten we erkennen dat er twee soorten mensen zijn in deze. De mensen die geen invloed hebben op hun situatie en de mensen die dat wel hebben. De mensen die met een flinke beperking het moeten redden in de wereld hebben er geen invloed op dat zij niet in staat zijn om financieel zelfstandig te zijn. Het gaat mij niet om de hulp aan deze mensen. Het gaat me hier om hulp aan mensen die het slachtoffer zijn van zichzelf. Mensen zoals ieder ander zonder beperkingen, maar die er niet in slagen of er geen zin in hebben om financieel zelfstandig te zijn.

Mensen bijvoorbeeld die niet de discipline hadden om vaardigheden te verwerven en daardoor nu nauwelijks een inkomen binnen kunnen halen. Deze vaardigheden hoeven zeker niet in de vorm van diploma’s te zijn, hoewel dat natuurlijk wel vaak het geval is. In mijn buurt wonen heel wat handige mannen die werken in de bouw of bij installatiebedrijven. Deze mensen hebben niet heel veel diploma’s gehaald, maar ze wonen wel allemaal in een koophuis. Deze mensen hebben hard gewerkt om zich een positie te verwerven en daarbij hebben ze gebruik gemaakt van de talenten die zij hadden.

Andere mensen hebben moeite met het omgaan met geld. Dat gaat even goed, maar dan zit je in de problemen. Voor deze mensen gaat het vaak om enkele jaren dat ze geld hebben geleend. Soms nog door middel van hele onhandige constructies zoals aankopen op krediet bij de Wehkamp. Of deze mensen kregen advies van een handige financiële adviseur die hun wel zou helpen met de nieuwe keuken en de nieuwe badkamer. Eenmaal in de problemen, duurt het lang om er weer uit te komen. De rentelast drukt vaak zo zwaar dat er weer geld moet worden bijgeleend om de eindjes aan elkaar te knopen. Het proces van aflossen wat hierop volgt kan vele jaren duren. Voor sommige is er de mogelijkheid van schuldsanering, waarbij mensen de kans krijgen om in drie jaar schuldenvrij te zijn.

Er zijn ook mensen die moeite hebben om een baan vast te houden. De wat dwarse en bijzondere types die het niet redden bij het sollicitatiegesprek omdat ze vinden dat de wereld ze maar moet accepteren zoals ze zijn. Of de mensen die toch wel heel veel moeite hebben met op tijd komen op het werk. Allerlei oorzaken kunnen er zijn waarom mensen slecht gedijen op  de gemiddelde werkplek.

Om deze mensen te beschermen tegen zichzelf kun je geld vrijmaken. De mensen die niet zelf zorgen dat ze waardevolle vaardigheden verwerven kun je cursussen aanbieden. Een dergelijke cursus komt wel beter tot zijn recht bij iemand die werkelijk de motivatie heeft om er wat van te maken. Maar de reden dat iemand geen vaardigheden heeft is vaak dat iemand niet de motivatie had om deze te behalen. Cursussen zijn dus wel een mogelijkheid, maar de opbrengsten zullen wel eens tegen kunnen vallen. Het geven van dergelijke cursussen is zeker geen garantie dat iedereen van deze groep een baan vindt. De effectiviteit van dergelijke integratieprojecten is beperkt. Een deel van de mensen dat door een integratietraject aan het werk wordt geholpen had het ook gered zonder hulp. En een deel blijft werkloos ook al wordt er hulp geboden. Het gaat om de groep die nu wel een baan vindt, maar dat zonder hulp bij de re-integratie niet had gered. Dat is de groep die uiteindelijk de kosten moet rechtvaardigen. En die kosten liggen heel erg hoog.

Voor de mensen met een hoge schuldenlast is er begeleiding en coaching. Eventueel kunnen mensen in de schuldsanering gaan. Verder is er regelgeving om mensen te beschermen tegen al te opdringerige financiële adviseurs. Het grote nadeel hiervan is dat mensen ervan uitgaan dat ze beschermd worden door de overheid en dat vergroot het vertrouwen in de financieel adviseurs. Dat geeft degenen die misbruik willen maken weer meer mogelijkheden. Ze zullen in het gesprek er graag bij vertellen dat hij een zorgplicht heeft en dat de mensen zich dus geen zorgen hoeven te maken over misbruik. Als de overheid een stapje vooruit doet dan doen de burgers een stapje terug.  Bescherming is wel mogelijk, maar je zal relatief veel moeten regelen en handhaven om het gewenste effect te behalen. De kosten voor bescherming zullen daardoor erg hoog zijn. De kosten zouden niet hoger op moeten lopen dan het leed dat vermeden wordt. Maar deze doelstelling wordt vaak niet behaald. In de praktijk blijkt dat de meeste mensen zich geen oor aan laten naaien en goed in staat zijn om financieel advies af te wegen. Het gaat om een beperkte groep burgers die kwetsbaar is. Ook de groep financieel adviseurs die misbruik maakt van de situatie is beperkt. Maar de maatregel geldt voor alle financiële adviseurs en die moeten allemaal investeren in de handhaving. Na het invoeren van de maatregel zullen niet alle slechte adviseurs verdwijnen. Met heel veel geluk wordt de hoeveelheid misbruik gehalveerd. Maar het is maar de vraag of dat alle inspanningen waard is.

Dan is er de arbeidsmoraal die nog wel eens tekortschiet. Ook daarvoor is het mogelijk om cursussen te geven. Mensen krijgen hulp bij solliciteren. Daarbij wordt kledingadvies gegeven en allerlei adviezen om wat netter over te komen. Maar het blijft een hele lastige groep om aan te pakken. Nu zul je denken dat je met boetes en kortingen op uitkering ver komt, maar dat is toch erg lastig. De ervaren werkschuwe speelt het spelletje even mee en meldt zich daarna regelmatig ziek. Deze ziekmeldingen gaan de baas de keel uithangen en ontslag volgt. Maar hiermee is er nog geen grond voor korten op de uitkering. Zelf heb ik op personeelzaken gewerkt en het blijkt erg lastig te zijn om vat te krijgen op dit spelletje van ziekmelden en weer gaan werken als het te heet onder de voeten wordt.

Het helpen van deze mensen leidt ook tot verborgen kosten. Dit geld moet namelijk ergens vandaan komen en dat betekent dat elders in de economie de productie wordt afgeremd. Om deze kosten te dragen moet er flink wat belasting worden afgedragen. Dat kan je door de inkomstenbelasting te verhogen. Deels leidt dat tot hogere loonkosten wat de werkgelegenheid afremt. En deels leidt dat tot lagere lonen hetgeen de arbeidsparticipatie nadelig kan beïnvloeden. De productie en het inkomen van het hele land gaan omlaag en dat beperkt ook weer de mogelijkheden om financiële hulp te geven. Verder remt het de groei van de werkgelegenheid waardoor de kansen op werk kleiner worden en dat beperkt weer de mogelijkheden van de mensen die je probeerde te helpen. De belasting op een andere manier heffen biedt ook geen uitkomst. Je kan de BTW verhogen, maar dan zullen mensen hun consumptie verlagen en dat merk je ook terug in de productie. Een energieheffing op grondstoffen wordt wel geopperd als wondermiddel. Maar een dergelijke belasting treft de industrie relatief hard en dus zie je daar de werkgelegenheid afnemen.

Het is zeker mogelijk om mensen te beschermen tegen zichzelf. Maar de kosten zijn erg hoog doordat er heel veel onbedoelde effecten een rol spelen. De financiële steun heeft weer nadelige gevolgen, en daarom moet de financiële steun verder worden verhoogd. Een dergelijk traject is heel erg duur en het is de vraag in hoeverre mensen daadwerkelijk beschermd worden door deze maatregelen. Dat wil niet zeggen dat ik pretendeer dat ik antwoord kan geven op de gestelde vraag. Ik heb niet alle cijfers om te kunnen beoordelen of de positieve effecten opwegen tegen de negatieve effecten. Wellicht dat iemand nog suggesties heeft voor verder onderzoek.

woensdag 25 augustus 2010

Armoede en domheid als excuus


In discussies over privatisering loop je vaak tegen het argument aan van armoede en toegankelijkheid. Het is zeker legitiem om je zorgen te maken over de toegankelijkheid van onderwijs en zorg voor de armen. Maar dat is een discussie over armoede en niet een discussie over zorg of onderwijs. Het scheiden van deze twee discussies kan heel veel verhelderen. Eenmaal dit argument uit de weg loop je aan tegen het fundamentele argument ten aanzien van de zelfredzaamheid van mensen. Zijn de mensen niet te dom om voor zichzelf te zorgen vragen mensen zich dan af.

Laten we bijvoorbeeld eens kijken naar het privatiseren van onderwijs. De eerste zorg die men vaak heeft is dat onderwijs dan te duur wordt voor de armsten. De privatisering van de armenzorg is veel lastiger te verdedigen dan de privatisering van het onderwijs. En je komt dan in een moeilijk debat. Het debat over armenzorg is ook veel beter te voeren vanuit het algemene principe. Het toespitsen van armenzorg op een enkel product geeft naar mijn mening een verstoord beeld. De toegankelijkheid van onderwijs is makkelijk onderdeel te maken van de armenzorg. Je kan daarbij denken aan het geven van een verhoging van de bijstand of een belastingaftrek voor onderwijs. De belastingdienst regelt nu al de zorgtoeslag en de huurtoeslag. Het is mogelijk om daarbij een onderwijstoeslag toe te voegen. Zeker met de huidige technologische mogelijkheden is dit veel eenvoudiger geworden.

Daarmee wil ik aangeven dat de doelstelling van gratis onderwijs samen kan gaan met het privatiseren van onderwijs. De mate van herverdeling is een andere discussie. Sommigen zullen een volledige vergoeding willen voor iedereen en anderen willen wellicht helemaal geen bijdrage aan de armsten. Maar dit hoeft geen invloed te hebben op de keuze voor privaat onderwijs. Als eenmaal deze angel uit het debat is kun je je aandacht richten op waar het in eerste instantie om gaat. En dat is dat de vrije markt betere en goedkopere producten levert.

Een belangrijk argument voor gratis onderwijs is de leerplicht. Want hoe kun je onderwijs verplichten als het niet gratis is? Maar de overheid kan best onderwijs verplichten ook als dat geld kost. De mensen die je extra steun wil geven kun je financieel ondersteunen. Hetzelfde is mogelijk voor een zorgverzekering. Dergelijke verplichtingen kunnen wel snel leiden tot aanvullende regels. Want als school verplicht is, moeten er dan geen kwaliteitseisen zijn. Als er een verplichte zorgverzekering is, moet er een bepaald minimumpakket bepaald worden.

Maar vrijlaten van deze keuze vinden mensen vaak lastig. Dan raak je aan het idee dat mensen het eng vinden om anderen te vrij te laten. Wat zal er gebeuren als mensen alle vrijheid krijgen om hun kinderen naar elke school te sturen die ze maar willen. Kunnen deze mensen dat wel aan en hebben ze daar geen hulp bij nodig. Een essentieel onderdeel van veel politieke discussie is het beeld dan mensen hebben van anderen. Gaan ze uit van de eigen kracht van mensen of moeten mensen geholpen worden omdat ze niet in staat zijn om zelf keuzes te maken. Met name ten aanzien van de armsten in de samenleving bestaat vaak het idee dat ze dom en hulpeloos zijn. Zelf heb ik grote bezwaren tegen dit beeld. Dat mensen weinig geld hebben wil nog niet zeggen dat ze niet voor zichzelf kunnen zorgen.

Dit is essentieel in de discussies over marktwerking. Want de voorstanders van marktwerking gaan uit van de consument als controlerende macht. De consument houdt het wangedrag van bedrijven in de gaten. Zij kiezen voor bedrijven die goede producten leveren. Daarmee ga je uit van individuen die in staat zijn om zelf keuzes te maken. Voor mensen met een ander mensbeeld is vrije marktwerking daarom geen goede optie.

Een zwakte in deze redenering ten aanzien van hulpeloosheid vind ik dat er kennelijk twee soorten mensen verondersteld worden die vervolgens netjes gesorteerd kunnen worden. Er zijn hulpbehoevende mensen die niet voor zichzelf kunnen zorgen of omdat ze te kortzichtig zijn of financieel geen verantwoordelijkheid kunnen dragen. En dan zijn er de mensen met lange termijn visie en discipline die voor deze mensen moeten zorgen. Dit op zich is geen onrealistische aanname, maar er ontstaan problemen als je deze mensen wil scheiden. Als we gaan kiezen welke politici ons moeten leiden dan moeten we natuurlijk de mensen uit de tweede groep hebben. Maar hoe krijg je dat voor elkaar? De mensen uit de eerste groep willen ook best in de politiek en zullen zich presenteren als de tweede soort. Hoe ga je ze uit elkaar houden? In de praktijk blijkt dat niet te lukken. Mensen die kortzichtig zijn en financieel onverantwoordelijk kunnen ook op invloedrijke posities komen. Het resultaat is dat de overheid als geheel heel veel moeite heeft om haar financiële verantwoordelijkheid te nemen. De staatsschuld loopt op en er worden steeds meer de grenzen opgezocht van de financiële mogelijkheden. Ook kortzichtigheid is terug te vinden in het beleid van de overheid.

Als er mensen zijn onder de bevolking met slechte eigenschappen dan zullen deze mensen zich ook een weg vinden naar functies binnen de overheid. Daardoor helpt het niet om een overheid in het leven te roepen om je te beschermen tegen deze slechte eigenschappen. Neem financieel onverantwoordelijk gedrag. Je kan proberen te voorkomen dat individuen beschermd worden tegen hun onverantwoordelijke gedrag. Maar de politici die nodig zijn om dit beleid vorm moeten geven zullen deels ook dit gedrag vertonen. Dit kan door de omstandigheden zelfs erger worden. Politici geven andermans geld uit en dat leidt tot nog grotere uitgaven. Het resultaat is dat niet meer de individuen in financiële problemen komen maar hele staten komen in de problemen. Je kan dit proberen op te lossen door boven de overheid weer een nieuw instituut te plaatsen, maar dit instituut zal met dezelfde problemen kampen.

Het argument van armoede en domheid zijn twee veel gehoorde argumenten tegen de vrije markt. Ze hebben beide betrekking op de zwaktes van mensen en het geloof dat mensen beschermd moeten worden tegen hun eigen zwaktes. Ontkrachten van beide argumenten is naar mijn mening essentieel om tot kern van de zaak te komen. Het argument dat men de zwakkeren wil helpen en beschermen kan legitiem zijn. Maar hulp aan de zwakkeren vereist wel dat er oplossingen worden voorgesteld die de zwakkeren ook daadwerkelijk helpen. Daarvoor is het nodig dat ten eerste de discussie op basis van de juiste argumenten wordt gevoerd.

maandag 23 augustus 2010

De illusie van deregulering

Deregulering betekent vaak anders reguleren. Hele specifieke normen worden vervangen door algemene en vage doelstellingen. Dit leidt vervolgens weer tot nieuwe regels. Een voorbeeld hiervan is de wegenverkeerswet die in de jaren negentig is aangepast. Specifieke eisen werden vervangen door algemene richtlijnen. Een bestuurder mag bijvoorbeeld geen gevaarlijke situaties veroorzaken. Het laat de vraag onbeantwoord wat dan gevaarlijk is en wat er nu eigenlijk wordt verwacht van de burger. Dit veroorzaakt vaak weer een nieuwe golf van regelgeving. Zolang er de behoefte is aan controle over bepaalde gebieden in het maatschappelijk verkeer is overdadige regelgeving onvermijdbaar.

Wetten worden “vereenvoudigd” door het doel te vermelden in plaats van specifieke gedragsnormen. Maar dit leidt zeker niet tot minder regels. In de wet was vroeger vastgelegd aan welke eisen alles moest voldoen. Zo was zelfs de minimale afstand tussen de ziekenhuisbedden geregeld. Om de zaken te vereenvoudigen werden deze hele specifieke eisen vervangen door meer algemene termen. Zo moest het ziekenhuis zorgen voor een veilige omgeving. Om de naleving te borgen werd het ziekenhuis verplicht om protocollen en beleidsplannen hierover op te stellen.

Het eerste dat we hier zien gebeuren is dat er een verschuiving optreedt van externe regeldruk naar interne regeldruk. De veiligheidseisen worden nu opgesteld door het ziekenhuis zelf. Maar het is nog steeds verplicht dat er dergelijke regels zijn. De regeldruk verandert, maar dat wil niet zeggen dat er een vermindering is. Er is dus wel sprake van decentralisatie van regelgeving, maar niet van een afname.

Een tweede punt is dat dergelijke papieren verplichtingen niet willen zeggen dat ook aan de doelstelling wordt voldaan. De overheid wil bijvoorbeeld dat er op scholen een veilige omgeving is voor leerlingen waar zij zich prettig voelen. Een legitiem doel, maar hoe bereik je zoiets. Je kan dit niet meten en je kan scholen er moeilijk op afrekenen. Maar je kan wel verplichten dat er een pest-protocol op school is waarin wordt vastgelegd welk anti-pestbeleid er wordt gevoerd op school. Het controleren van deze verplichtingen is een bureaucratische draak die weinig meer met de sfeer te maken heeft. Scholen hebben zeer beperkte middelen en op deze manier worden er middelen aan het primaire proces ontrokken hetgeen ook weer nadelig kan werken voor de sfeer. Dit leidt tot falend beleid en dan staat men voor de keuze controleren of vrijlaten. Meestal wordt er dan gekozen voor meer regulering en controle om zaken op te lossen.

Kennelijk wordt er een sterke noodzaak tot controle gevoeld bij mensen. Ziekenhuizen worden verplicht om een veilige omgeving voor patiënten te regelen. Het is echter maar de vraag wat dit toevoegt aan de situatie op een vrije markt. Ten eerste is een ziekenhuis aansprakelijk als er wat gebeurt met een patiënt. De patiënt heeft een contract met het ziekenhuis en het ziekenhuis heeft een prestatieverplichting. Als jij een vervelende infectie oploopt door nalatigheid van het ziekenhuis dan lijdt jij extra schade als gevolg van het leveren van een slecht product. Dan is het ziekenhuis aansprakelijk. Verder zal het ziekenhuis klanten moeten trekken en daarvoor zullen ze ervoor moeten zorgen dat de mensen goed behandeld worden. Voegt alle extra controle op beleidsplannen nog wel wat toe?

Een verschil dat optreedt bij regelen vooraf of terugvallen op aansprakelijkheid is de positieve of negatieve bewoording ervan. Bij aansprakelijkheid wordt ervan uitgegaan dat je een ander geen schade mag aandoen. In het door de overheid geëiste beleid echter wordt geëist dat het ziekenhuis actief moet voorkomen dat dergelijke situaties zich voordoen. Dit lijkt op hetzelfde neer te komen, maar dat is zeker niet het geval. Neem het simpele voorbeeld van vervoer. Ik kan negatief zeggen dat je de fiets niet mag gebruiken. Je kan ook zeggen dat je met de auto moet rijden. Dat laatste leidt tot weer andere vragen. Waar moet ik heen, wanneer moet ik vertrekken, moet de auto nog aan bepaalde eisen voldoen etc. Dit is ook precies wat er gebeurt want een simpele eis dat een ziekenhuis beleid op moet stellen om de veiligheid van patiënten te garanderen is niet voldoende. De controleurs moeten weten waar ze op moeten controleren. Wat moet er in het document komen te staan en wat wordt er eigenlijk bedoeld met veilig? Het leidt er uiteindelijk toe dat op lager niveau alsnog gedetailleerde invulling gegeven wordt aan het begrip veiligheid. En dus worden er alsnog heel veel regels over ons uitgestort.

Het begint naar mijn mening met de behoefte aan controle. De veiligheid van ziekenhuizen wil men van bovenaf opleggen. Men vindt dat deze verantwoordelijkheid niet overgelaten kan worden aan organisaties en consumenten. Maar als je iets van boven af op wil leggen dan moet je “all the way” gaan. Je kan niet een heel laag minimumniveau neerleggen en daarboven de verantwoordelijkheid geven aan de ziekenhuizen. Het probleem is namelijk dat je de controle door consumenten hebt verstoord. De keuze van consument is er niet meer of hij gelooft dat hij niet hoeft op te letten omdat de overheid toch wel zorgt voor veiligheid. Gevolg is in ieder geval dat de consument de ziekenhuizen niet meer scherp houdt. In een dergelijke situatie krijg je het slechtste van twee werelden. De ziekenhuizen gaan optimaliseren en merken dat zowel van de kant van de staat als van de kant van de consument er weinig druk is voor verbetering. Dat kan leiden tot misbruik van de omstandigheden. Een beetje marktwerking kan zo tot nog meer ellende leiden dan volledige controle door de staat. Gevaar daarvan is natuurlijk dat marktwerking een slechte naam krijgt. Of de indruk kan ontstaan dat marktwerking alleen geschikt is voor bepaalde sectoren. De middenweg met een beetje controle door de staat en ook wat marktwerking blijkt dan in veel gevallen niet stabiel te zijn en tot ongewenste uitkomsten te leiden. Wat je nu ziet is een overgang van directe planning naar een vorm van planning waarbij bedrijven wel de uitvoering doen, maar waarbij de doelen strak vastgelegd zijn door de overheden.

Zolang er de behoefte is aan controle zul je daarom alles moeten regelen. Dat is ook wat je nu ziet gebeuren. De vorm maakt daarbij niet uit want de onderliggende logica is sterker en het resultaat is dat er toch volledige controle wordt uitgeoefend. Dat maakt dat ik ook pessimistisch ben over het privatiseringsproces in de zorg. Het vraagt grote stappen om bijvoorbeeld de zorg te privatiseren. Met een beetje marktwerking ben je er niet. Het is of het één of het ander. En voor die stap naar volledige privatisering is draagvlak nodig. Dit draagvlak is ernstig aangetast door de negatieve berichten rondom marktwerking.

Een tekenende tendens hierin is het sentiment dat meer privatisering ook meer regulering vereist. Er is geen vertrouwen in de markt. Men wil niet de zaken aan de ziekenhuizen overlaten en zeggen zoek het maar uit samen met de consumenten. De slechte ziekenhuizen zullen failliet gaan en kwaliteit zal uiteindelijk overleven. Dit is voor de meeste mensen geen aanvaardbare optie. Dus wordt er gekozen voor een model waarbij de privatisering ingebed wordt in een strakke omgeving van regelgeving. Daarbij vraag ik mij sterk af of we hier nog wel het woord privatisering moeten gebruiken. Dat is hetzelfde als zeggen dat de NS geprivatiseerd is. De NS rijdt op rails van de staat, wordt gesubsidieerd door de staat, heeft een prestatiecontract met de staat en de staat is de enige aandeelhouder. Toch wordt dit privatisering genoemd en dat maakt het heel erg verwarrend. Gaat men zoeken naar verklaringen voor meer regulering dan wordt de privatisering als één van de redenen opgegeven. Het is echter niet de privatisering, maar de behoefte aan controle die ervoor zorgt dat er regels zijn.

De discussie over regulering richt zich momenteel sterk op de vorm en weinig op de achterliggende gedachte. Men denkt momenteel heel sterk in de zin van praktische oplossingen en fundamentele discussies passen daar niet in. Maar door de fundamenten over het hoofd te zien raak je het zicht kwijt op de effecten van praktische oplossingen. Hier is de drijvende kracht achter regelgeving de behoefte aan controle en dat maakt dat praktische oplossingen om het aantal regels te beperken falen. Zolang de behoefte aan controle blijft bestaan blijft deregulering een illusie. 

vrijdag 20 augustus 2010

Bestaat de deregulerende politicus?

Is het mogelijk voor een politicus om meer regels af te schaffen dan toe te voegen. Dit is een hele essentiële vraag ten aanzien van de mogelijkheden van het verkleinen van de overheid door politieke middelen. De overheid bestaat uit individuen en het gedrag van de overheid is ook te herleiden tot de leden waaruit ze is opgebouwd. Als de overheid kleiner wordt dan kan dat alleen maar doordat er individuele politici zijn die meer bijdragen aan het verkleinen van de overheid dan aan het vergroten ervan. Bestaan deze individuen wel of zijn er wellicht voorbeelden te vinden in de geschiedenis? Kunnen politici wel een bijdrage leveren aan deregulering?

 

De politicus die wil dereguleren loopt tegen een aantal hindernissen op. Deze hindernissen moet hij op effectieve manier nemen en hij moet na afloop van het proces populairder zijn dan daarvoor. Dit laatste is nodig omdat de politicus alleen succesvol kan zijn als hij zijn populariteit vergroot. En het zijn de succesvolle politici die de meeste invloed hebben op het bestuur van het land. De meest invloedrijke politici hebben steeds maatregelen genomen die hen populairder maken. Een politicus kan overigens ook populair zijn omdat hij “impopulaire maatregelen” durft te nemen. Dan was het resultaat van de schijnbaar impopulaire maatregel dat de politicus toch populairder werd. De hindernissen die hij moet nemen zijn eerst dat hij de effectiviteit van de regels moet kunnen beoordelen, hij moet vervolgens steun krijgen van de bevolking en hij zal rekening moeten houden met belangengroepen en andere gevestigde belangen.

 

Voordat de politicus gaat dereguleren zal hij vast moeten stellen welke regels hij wil schrappen. Daarvoor zal hij moeten beoordelen hoe effectief een maatregel is. Dat is nog niet eenvoudig omdat er geen prijsmechanisme is dat heldere signalen geeft zoals aan een bedrijf als het domme dingen doet. Dergelijke oordelen worden daarom ondersteund door advies van deskundigen. Als je bijvoorbeeld het rookverbod af wil schaffen dan moet je de effectiviteit hiervan beoordelen. Degenen die hier veel over kunnen zeggen zijn de inspecteurs, maar deze zijn afhankelijk van deze regel en betrouwbaarheid is dus discutabel. Andere diensten binnen het ministerie van volksgezondheid zou je ook kunnen vragen. Maar zij hebben er belang bij dat er regels zijn om de gezondheid van de burger te beschermen. Het ministerie ontleent haar bestaansrecht aan het principe dat de overheid de gezondheid van de burger moet beschermen door middel van regels en beleid. Als dit principe van het beschermen van de burger wordt aangetast door het afschaffen van het rookverbod, welke regels zullen er dan nog volgen? Dus ook daar verwacht ik weinig enthousiasme voor het afschaffen van regels. Weet iemand een effectieve methode om de effectiviteit van regels te beoordelen? Wil je beginnen met het afschaffen van regels dan moet er toch een prioriteitenlijstje komen. Als er geen goede methode is om objectief te beoordelen welke regels het meest en welke het minst effectief zijn waar moet je dan beginnen met dereguleren?

 

Vervolgens moet hij het afschaffen van de regels verkopen aan de bevolking. De politicus heeft immers de steun van het volk nodig om hogerop te kunnen komen. Dat is lastiger dan het lijkt ondanks de brede steun voor minder regels. Burgers klagen over een overdaad aan regels, maar zodra je het concreet maakt wordt het stukken lastiger om de handen op elkaar te krijgen. Er is hier een groot verschil tussen het draagvlak voor het abstracte dereguleren en het afschaffen van concrete regels. Voor het rookverbod geldt dat de meerderheid van de bevolking niet rookt. Minder dan een kwart van de mensen rookt. De niet-rokers zijn wellicht best wel voor deregulering, maar dan liever iets anders dan het rookverbod want dat is toch best wel handig. In discussies merk ik altijd heel veel weerstand als ik het heb over het afschaffen van concrete regels, ook als het gaat om voorstanders van deregulering. Dan probeer ik bijvoorbeeld de vergunningen voor dakkapellen, ontslagbescherming enzovoort. Maar het blijkt allemaal weinig populair zodra je het concreet maakt. Graag zou ik input krijgen van ervaringen van mensen die weten van concrete regels waarvan zij vermoeden dat er weinig weerstand is tegen afschaffen ervan.

 

De volgende hobbel die genomen moet worden is het gevestigd belang. Elke regel heeft een groep mensen die er voordeel bij heeft. In het geval van het rookverbod is er de stichting Stivoro die een groot voorstander is van het rookverbod. Dit is een organisatie die zich inzet voor het stoppen met roken. Zij bestaan sinds 1974 en hebben daarom veel ervaring in de discussie over roken. Zij kennen alle onderzoeken en feiten en kunnen de media en politieke medestanders voorzien van heel veel cijfers indien nodig. Zij hebben grote ervaring met het voeren van discussies over roken. Ze kennen de argumenten en weten zeer goed hoe zij hun standpunt moeten verdedigen. Deze stichting heeft uiteraard contacten opgebouwd met de media en de politiek. Ze staan niet alleen want pasgeleden nog luidde de longartsen de noodklok over het falende toezicht op het rookbeleid. Doordat het gevestigd belang beschikt over veel deskundigheid en ervaring heeft met het debat kunnen zij grote druk uitoefenen. Als straks de discussie gevoerd wordt over ontslagbescherming dan zal de vakbond van zich laten horen. Zij zullen wetenschappelijke onderzoeken overleggen waarin wordt aangetoond dat ontslagbescherming juist goed is voor de economie en zij zullen de politici die tegen afschaffing zijn kunnen voorzien van informatie over hoe het debat het beste kan worden gevoerd. En daarbij schromen ze ook niet om in te spelen op het sentiment als dat nodig is.

 

Deze strijd met het gevestigd belang levert grote risico’s voor de politicus. De lobby tegen hem kan heel effectief zijn en dat kan zijn reputatie beschadigen. Ook als hij er wel in slaagt om de regel af te schaffen of te versoepelen is er het risico dat zijn imago een deuk oploopt. Stelt u eens een regel voor die u af wil schaffen. Welke belangengroepen zullen ertegen zijn en is het mogelijk voor een politicus om hier op effectieve wijze weerstand aan te bieden?

 

Deze vragen zijn essentieel om te kunnen bepalen of het eigenlijk wel mogelijk is voor een politicus om tegelijkertijd carrière te maken en te dereguleren. Laten we stellen dat het voldoende is dat een politicus meer regels afschaft dan toevoegt. Dan is er natuurlijk de vraag of hier praktijkvoorbeelden van zijn. Er zijn wel gevallen van deregulering bekend, maar zijn er ook politici die meer regels hebben afgeschaft dan zij hebben toegevoegd. Kent u voorbeelden van dergelijke politici. Als we eens kijken naar de periode na de Tweede Wereldoorlog zijn er dan voorbeelden te vinden? Dat is 65 jaar met vele Eerste en Tweede kamers met politici. Dat zijn heel veel ministers en staatssecretarissen. Voorbeelden uit het buitenland mogen ook want het gaat hier immers om een algemeen principe en alle bewijsmateriaal is welkom.

 

De eerste die bij mij opkwam was Ruud Lubbers omdat hij bekend stond als premier die veel heeft bezuinigd. Bij nader onderzoek blijkt echter dat Lubbers veel meer regels heeft ingevoerd en de uitgaven heeft verhoogd en niet heeft verlaagd. Lubbers heeft heel wat regelgeving gelanceerd. In de tijd van de oliecrisis is hij begonnen met initiatieven voor alternatieve en duurzame energie. Dit is de aanzet geweest tot een heel scala aan regelgeving. Onder zijn leiding is bijvoorbeeld ook het eerste Milieu- en Natuurbeleidsplan tot stand gekomen. Hij is verder betrokken geweest bij staatsteun aan allerlei bedrijven. Hij staat bekend om de miljardenbezuinigingen die hij heeft gedaan. Maar als we kijken naar de voor inflatie gecorrigeerde overheidsuitgaven dan zijn die onder Lubbers toegenomen. Wat wel voor hem spreekt is dat hij, voor zover ik kan zien, de premier is die de overheid het minst heeft laten groeien. Verder staat hij bekend om het akkoord van Wassenaar. Dat akkoord behelst ingrijpende maatregelen in de loonvorming en arbeidstijd en dus ook hier is er sprake van flink overheidsingrijpen. De eerste kabinetten waren samen met de VVD en dat is de meest rechtse combinatie mogelijk in Nederland en deze slaagde er slechts in de groei van de overheid te beperken. Maar er was zeker geen sprake van afname van uitgaven of regelgeving. Het derde kabinet Lubbers staat bekend om de harde hervormingen in de sociale zekerheid. Maar sla je de cijfers erop na dan zie je dat de groei is afgeremd door deze maatregelen, maar de groei is niet tot staan gebracht laat staan dat er sprake was van krimp. Dus Lubbers valt naar mijn mening af. Heeft iemand nog andere suggesties?

 

Is het voor een politicus mogelijk om gedurende zijn carrière meer regels af te schaffen dan toe te voegen? Een belangrijke vraag want zonder dergelijke politici is er geen politieke weg naar een kleinere overheid. De overheid bestaat uit individuen en dat inzicht kan verhelderend zijn als je het gedrag van de overheid als geheel wil begrijpen. Als de overheid als geheel wil dereguleren dan moeten er individuen zijn binnen de overheid die het aantal regels verminderen. Om de overdaad aan regulering terug te draaien is overigens meer dan een enkele politicus nodig waarvan de netto bijdrage aan de overheid minder regels is in plaats van meer. En ook zal dit gedurende langere tijd door moeten zetten. Dereguleren is een tijdrovend proces. Zeker omdat er naast deregulering ook altijd ook nieuw beleid bij zal komen. Maar laten we eerst eens beginnen met de vraag of het voor een enkele politicus mogelijk is om meer regels af te schaffen en toch carrière te maken. En natuurlijk ben ik heel benieuwd naar praktijkvoorbeelden van dergelijke politici.

 

Ps.

In het eerder genoemde essay dat ik aan het schrijven ben is een centrale vraag of een overheid kleiner kan worden. Daarbij wil ik zonder morele oordelen kijken naar de mogelijkheden die er zijn in het huidige systeem. Bovenstaande vraag is één van de problemen die op je weg komt als je nadenkt over een kleinere overheid. Om mijn inzicht hierin te vergroten hoor ik ook heel graag tegenargumenten en tegenvoorbeelden (argumenten voor zijn uiteraard ook welkom). Dus schroom niet om tegenargumenten in te brengen. Alle goed onderbouwde argumenten zijn welkom.

woensdag 18 augustus 2010

Iedereen wil scoren

De meeste mensen willen zichzelf laten zien en bewijzen. Al is het maar om de volgende loonsverhoging binnen te halen. Deze neiging om te scoren heeft in de private sector hele andere effecten dan in de publieke sector.

dinsdag 17 augustus 2010

Minder voor meer

De politieke leiders zijn druk bezig om een nieuw kabinet te vormen. De onderhandelingen zijn nog bezig. Toch is mij wel duidelijk dat het komende kabinet de situatie zal verslechteren. De nadruk ligt op het verbeteren van de financiële situatie. En daarvoor zijn vervelende bezuinigingen nodig. Daarbij wordt wel eens vergeten dat deze bezuinigingen niet leiden tot lastenverlichtingen. Integendeel de lasten gaan omhoog. We krijgen dus minder voor meer.

maandag 16 augustus 2010

Weer terug

Ben net weer thuis en deze week zal ik weer beginnen met het plaatsen van berichten. Daarna wil ik elke maandag, woensdag en vrijdag een bericht plaatsen.

zaterdag 17 juli 2010

Zomerstop

De komende vier weken is er een zomerstop. Er worden even geen berichten geplaatst. Ik heb ervoor gekozen om geen automatische berichten te plaatsen omdat ik dan niet kan reageren op de reacties die worden geplaatst. Na de zomerstop zal ik een aantal nieuwe onderwerpen lanceren en natuurlijk ga ik ook door met het werk dat jullie inmiddels van mij gewend zijn. Een hele fijne vakantie gewenst.

vrijdag 16 juli 2010

Verontrustende berichten

Als mensen expliciet zaken gaan ontkennen ben ik altijd op mijn hoede. Waarom vind je het nodig om dit te ontkennen. Het komt namelijk nog al eens voor dat de reden voor een ontkenning is omdat het waar is. De ECB kwam met het bericht naar buiten dat het zeker is dat er geen recessie zal komen. Zoveel zekerheid in een tijd met zoveel onzekerheid verbaasde mij nogal.

woensdag 14 juli 2010

Boekbespreking: wat heeft de overheid met ons geld gedaan?

Dit kleine helder geschreven boekje is geschreven door Murray Rothbard en geeft helder weer wat geld is, wat het zou moeten zijn en wat het is geworden. Het boekje had ook kunnen heten “alles wat u ooit wilde weten over geld maar niet durfde te vragen”.

maandag 12 juli 2010

De champignon heeft ff prioriteit

Het zijn moeilijke tijden en de overheid komt flink wat geld tekort. De kosten voor de zorg zullen stijgen en dat betekent dat de burger meer moet gaan betalen. Er zijn zorgen of de AOW nog wel betaalbaar is. De overheid doet er alles aan om te bezuinigen. Alleen zaken die echt prioriteit hebben kunnen nog doorgang vinden. Er moeten dus keuzes gemaakt worden en dus wordt er gekozen voor de champignon.

vrijdag 9 juli 2010

Als je leent van jezelf kun je dan je eigen schulden kwijtschelden?

De overheid kan nu geld lenen bij de ECB. Dat betekent dat er aan geld geen gebrek meer is. Een nadeel is dat daardoor de staatsschuld wel ernstig oploopt. Maar het is natuurlijk denkbaar dat de ECB deze schulden kwijtscheldt als het echt slecht wordt. Zelf denk ik dat ze het iets meer zullen proberen te verhullen. Je kan dan denken aan het eindeloos herfinancieren van de schuld. Het nadeel van echt wegstrepen van de schuld is dat beleggers argwanend worden. Nadeel van herfinancieren is dat de staatsschuldquote hoog blijft. De rentebetalingen zijn in dit geval geen nadeel. Deze rente is winst voor de centrale bank en deze winst wordt weer uitgekeerd aan de staat. (Als je geld aan jezelf uit gaat lenen loop je tegen hele vreemde gedachtenkronkels aan).